Het gezicht van dementieonderzoek

woensdag 23 mei 2018

  • HANNN

Wie een actief leven leidt en veel sociale contacten heeft, leeft over het algemeen langer. Maar wat is de relatie tussen deze zogeheten sociale gezondheid en het ontstaan van dementie? En welke interventies kunnen je sociale gezondheid verbeteren? Prof. dr. Martien Kas, hoogleraar neurobiologie van gedrag bij de Rijksuniversiteit Groningen (RuG), hoopt over vier jaar een antwoord te hebben op deze vragen.

Waardevolle sociale contacten en zinvolle activiteiten, ofwel een goede ‘sociale gezondheid’, zijn voor mensen met dementie erg belangrijk. Door de ziekte trekken zij zich steeds meer terug uit het sociale leven, waardoor hun sociale gezondheid verslechtert. Maar er zijn ook aanwijzingen voor het omgekeerde verband, namelijk dat mensen met een slechtere sociale gezondheid meer kans hebben op het krijgen van dementie. Het is nog onduidelijk hoe dit precies zit. Prof. dr. Martien Kas hoopt daar dankzij een Memorabel-subsidie verandering in te brengen. ‘We weten dat er een relatie is tussen sociale terugtrekking en cognitieve achteruitgang, maar we weten nog niet wat de oorzaak en wat het gevolg is. Verandering van sociale relaties kan namelijk ook een vroege indicatie voor de ontwikkeling van dementie zijn.’

‘Sociale gezondheid is een relatief nieuw begrip in wetenschappelijk onderzoek’, vertelt Kas. ‘Dat betekent dat er veel verschillende opvattingen bestaan over wat het precies is, ook bij de partners waarmee wij in dit project samenwerken. De uitdaging is om tot een gemeenschappelijk concept te komen dat ook objectief meetbaar is.’ Hij hoopt dat de smartphone-app ‘BeHapp’ daar een rol in kan spelen. Deze app meet - uiteraard na toestemming van de gebruiker - alle inkomende en uitgaande communicatie. Het gaat dan niet om de inhoud van de berichten, maar wel om hoelang en hoe vaak iemand bijvoorbeeld WhatsApp gebruikt. Ook houdt de app bij waar iemand is en of dit een druk of rustig gebied is. Maar ook met BeHapp blijft het objectief meten van sociale gezondheid een uitdaging, geeft Kas toe. ‘De app registreert bijvoorbeeld niet het contact dat mensen ‘in real life’ met elkaar hebben. Ook kunnen we de kwaliteit van de interactie niet meten. De tijd zal dus moeten uitwijzen of smartphone-gebruik ons daadwerkelijk iets kan vertellen over sociale gezondheid.’

Kas, van oorsprong bioloog, richt zich in vrijwel al zijn onderzoek op sociale terugtrekking over ziektebeelden heen. ‘Dit verschijnsel komt niet alleen bij dementie voor, maar ook bij andere hersenziekten’, legt hij uit. ‘Zo zien we bij depressie dat meer sociale support kan leiden tot een aanzienlijke vermindering van klachten. Daarnaast is verminderde sociale interactie een vroeg kenmerk - soms al rond de puberteit - bij schizofrenie. De sociale omgeving lijkt dus wel degelijk een belangrijke rol te spelen in het cognitief functioneren, maar qua onderzoek is het nog een ondergeschoven kindje.’ Dit onderzoek is dan ook één van de eerste multidisciplinaire studies die biomedisch en sociaal onderzoek naar dementie combineert. Bovendien past het volgens de hoogleraar ook perfect in de ontwikkeling naar ‘personalised medicine’: een individuele behandeling op maat. ‘Omdat de symptomen van bepaalde hersenziekten met elkaar overeenkomen, ligt de focus steeds minder op de specifieke diagnose en steeds meer op wat er precies verandert in de hersenen. Hoe meer inzicht we krijgen in deze processen, hoe meer aanknopingspunten we hebben om op zoek te gaan naar behandelingen.’

Lees hier het volledige artikel 

Aandachtsgebieden

Healthy Ageing Network